De prehistorische bewoners van de huidige Amerikaanse staat New Mexico moesten tijdens periodes van droogte diep onder de grond water halen. Amerikaanse archeologen schrijven in het vakblad Scientific Reports dat de oermensen in lavagrotten ijs smolten met vuren, om het resulterende water op te vangen en mee te nemen om te drinken.

Het landschap van het zuidwesten van New Mexico, in het specifiek het gebied El Malpais National Monument, is al eeuwen een kale stenen vlakte. Toch wisten mensen hier in periodes van forse droogte te overleven. Dit was in ieder geval tussen 150 en 950.

Nu weten archeologen waarom. In lavagrotten van de regio vonden onderzoekers verkoold materiaal. Dit wijst er volgens de wetenschappers op dat de toenmalige bewoners van de regio vuurtjes maakten en gebruikten om ijs te smelten en water op te vangen.

Dit zou dan als drinkwater gebruikt kunnen worden en mogelijk ook toegepast worden bij religieuze aangelegenheden. Wetenschappers vonden ook een pot die vermoedelijk werd gebruikt om water in op te vangen.

In eerste instantie gingen wetenschappers de lavatunnels in om ijs te verzamelen voor onderzoek naar het klimaat van het vroegere New Mexico. Toen zij sporen vonden die waren achtergelaten door oermensen, was dat dan ook een grote verrassing.

Grotten zijn restanten van grote lavastromen

Lavagrotten ontstaan wanneer forse lavastromen aan de buitenkant stollen, waardoor een soort cocons ontstaan met in het midden daarvan nog stromend, vloeibaar lava. Wanneer de stroom van lava afneemt en uiteindelijk volledig stolt, kunnen grote stenen gangenstelsels overblijven. In dit geval werd een gang van zeker 171 meter lang en 14 meter diep onderzocht. In deze grot werd een hoeveelheid ijs gevonden die vermoedelijk ooit het diepste deel van de grot geheel vulde.

In 'normale' jaren smolt ijs dat zich in de winter vormde bij de ingangen van de grot, waar de oerbewoners van New Mexico makkelijk bij konden komen. In drogere perioden konden de bewoners dieper de grot in om drinkwater te halen.